Direct zoeken




 

.

Het kookpunt ❷

Het kookpunt

uitleg

Als je een zuivere vloeistof laat koken blijft de temperatuur tijdens het verdampen gelijk. Dit komt omdat bij precies die temperatuur de aantrekking van de moleculen verbroken wordt. De moleculen raken volledig los van elkaar. De eerste moleculen verlaten aan het oppervlak de vloeistof. Uiteindelijk ontstaan overal in de vloeistof gasbellen. Deze gasbellen zijn gevuld met waterdamp en niet met lucht.


Condenseren
Als je een zuiver gas afkoelt zie je het omgekeerde gebeuren. De gasmoleculen die in het gas nog vrij bewegen blijven steeds meer aan elkaar kleven als ze elkaar tegen komen. Zolang de temperatuur hoog genoeg is laten ze ook weer los. Als de temperatuur te laag wordt klonteren de gasmoleculen aan elkaar. Ze nemen hierbij niet een vaste plek in maar blijven om elkaar heen draaien. Het gas gaat over in een vloeistof. Dit gebeurdt bij dezelfde temperatuur als die van het kookpunt . We noemen het kookpunt daarom ook wel eens het condensatiepunt .
  Afbeelding 1

meer uitleg

Je kan weten in welke fase een stof is als drie gegevens bekend zijn.
Je moet hiervoor weten:
- Het kookpunt van de stof
- Het smeltpunt van de stof
- De temperatuur die de stof op dat moment heeft

 

Is de temperatuur van de stof hoger dan zijn kookpunt , dan is de stof gas -vormig.
Is de temperatuur van de stof lager dan zijn smeltpunt , dan is de stof vast.
Zit de temperatuur van de stof tussen zijn kookpunt en zijn smeltpunt in, dan is de stof vloeibaar .


 

Voorbeeld 1:
Water heeft een smeltpunt van 0°C en een kookpunt van 100°C.

Water is bij 120°C een gas omdat deze temperatuur boven het kookpunt ligt.
Water is bij 65°C een vloeistof omdat deze temperatuur tussen het smelt - en kookpunt ligt.
Water is bij -15°C een vaste stof omdat deze temperatuur onder het smeltpunt ligt.

 

Voorbeeld 2:
Van de stof zwavelzuur kan je in BINAS tabel 16 opzoeken wat zijn smeltpunt en kookpunt zijn.
Deze twee temperaturen staan wel in Kelvin , die moet je eerst omrekenen.

Het smeltpunt van zwavelzuur is 284 K = 284 - 273 = 11°C en het kookpunt is 603 K = 603 - 273 = 330 °C.

Zwavelzuur is bij 520°C een gas omdat deze temperatuur boven het kookpunt ligt.
Zwavelzuur is bij 140°C een vloeistof omdat deze temperatuur tussen het smelt - en kookpunt ligt.
Zwavelzuur is bij 8°C een vaste stof omdat deze temperatuur onder het smeltpunt ligt.

begrippen

condensatiepunt   Een andere naam voor het kookpunt dat eigenlijk niet gebruikt wordt.
condenspunt   Een andere naam voor het kookpunt dat eigenlijk niet gebruikt wordt.
kookpunt  
De maximum temperatuur waarbij een stof vloeibaar blijft.
Boven deze temperatuur is een stof altijd gasvormig.
Op deze temperatuur veranderd de stof van fase tussen gas en vloeistof. Dit kan verdampen zijn als de temperatuur stijgt of condenseren als de temperatuur daalt.

doelen

doel 1 - Je kunt uitleggen wat een kookpunt is.
Elke stof heeft zijn eigen kookpunt . Dit is de temperatuur waarbij de stof verandert van vloeibare fase naar gas fase of andersom. Boven het kookpunt is een stof in de gas fase .

doel 2 - Je kunt het kookpunt van water uit het hoofd noemen.
kookpunt van water = 100 °C

doel 3 - Je kunt de fase van een stof bepalen als de temperatuur gegeven is
1 - Zoek het smeltpunt en het kookpunt van de gegeven stof op in een tabel, zoals bijvoorbeeld in BINAS
2 - Reken eventueel de temperaturen om totdat ze in dezelfde eenheid staan.
3 - Vergelijk de temperatuur die de stof heeft met het smeltpunt en het kookpunt
   a. is de temperatuur lager dan het smeltpunt dan is de stof in de vaste fase
   b. is de temperatuur hoger dan het kookpunt dan is de stof in de gas fase
   c. ligt de temperatuur tussen het smeltpunt en het kookpunt dan is de stof in de vloeibare fase

links & downloads


fase en faseovergang
 

oefenen welke fase (∞)
     

NASK1/K/4-3 en NASK2/K/10-1

| + -